online magazine

Zin in Waan

Over het werk van Geertje Vangenechten


Hier zit ik dan op de zolderkamer ingericht als bureau, achter mijn computer, aan de tafel vol papieren, boeken, folders en kaartjes. Aan de muur hangen postkaarten van kunstwerken die ik meebracht uit allerlei musea. Af en toe vervang ik ze, hang ik nieuwe, maak ik nieuwe reeksen. Op momenten als deze is het vooral een scherm om de writer’s block achter te verbergen. Het stelt me gerust om een koninklijke Hawaiiaanse verenmantel uit Honolulu, te plaatsen tussen “Marine met kielzog” van Léon Spilliaert en “Portrait of Innocenzo X” van Diego Velazquez. Ik verdoe mijn tijd op social media en wacht tot de dag voorbij gegleden is en ik terug kan doen alsof ik een dag heb gewerkt. Het hele plaatje helpt me te leven in de waan,… in afwachting van vruchtbaarder tijden.




Frida Kahlo kiest mooie kleuren, ze verzamelt mooie spullen. Om te redden wat ze kan uit haar ongelukkige realiteit leeft ze tussen boven- en onderwereld omringd door fantastische verhalen.




“Ik wil iets maken van mezelf”. Geertje is net een suikerklontje gaan halen bij de buren naast haar schrijversatelier. Het is de voormalige bureau van de directeur van de school waar nu ateliers in ondergebracht zijn. Zij koos voor de schrijfkamer. De muren zijn bekleed met beschilderd doek. De trompe l’oeil is wat naïef geschilderd maar het geheel is best wel indrukwekkend. De bruine, hier en daar gescheurde doeken vullen de muren met bloemen en instrumenten die er samengebonden aan lijken te bengelen. Boven mijn hoofd hangt ook een vogel, gemaakt met veren, beschilderd karton en een spons. Eronder hangt nog een mannetje. Op de schouw, voor een monumentale spiegel, staan allerlei kleine sculpturen en maskers. Hun gezichten zijn beschilderd, ze zijn gemaakt van stof, gips, takken,… een zeemeermin, een jongenskop met hoorns,…

“Schoonheid is ongelooflijk belangrijk”. Het licht, de lucht, de geur, de kleuren,… daar kan Geertje helemaal in opgaan. Ze beschildert de stoffen rugleuning van een oude stoel maar ook kleren, de schoenen van haar kinderen,… Ze komen allemaal samen in deze ruimte, maar ook bij haar thuis. In de schriftjes, tussen de boeken, in de mappen, op de grond of aan de muur, ze komen overal terug en vinden nieuwe allianties. Soms zijn ze té mooi, te zoet en dan worden ze in vuile bedden gelegd tussen ongelikte straathonden.


Geertje en ik worden blijkbaar door onze kinderen herkend als magneten voor “rare mensen” en bizarre situaties.

“Ik kan ook echt kicken op dingen met een hoek af”. Die zelfkant, daar wordt Geertje ook naartoe gezogen. Hoe een mens ook een dier kan zijn, hoe voeten kunnen vereelten maar ook het hart en ten slotte de hersenen. De Egyptische goden met hun dierenkoppen brengen ons tot Ramses Shaffy en het verhaal van zijn moeder. Zichzelf bedriegen, anderen bedriegen en tenslotte bedrogen worden,… overlevingsverhalen. Geertje en ik worden blijkbaar door onze kinderen herkend als magneten voor “rare mensen” en bizarre situaties. Ik vergeet de blik van mijn zoon nooit wanneer na 1 minuut blijkt dat de lifter die ik oppikte op weg naar Gent, geloofde in allerlei complottheorieën over de zon, die afgedekt wordt door een schild van de NASA en dat hij op weg was naar de radiostudio’s in de Reyerslaan om het daar te gaan uitleggen. Zij legt daar dan een verhaal naast over een gezochte bandiet die na een gevecht op straat in haar huis was komen schuilen en die ze nooit meer hebben terug gevonden of van een kreupele oude vrouw die ze hielp op de trein en haar sindsdien regelmatig schrijft of opbelt.




Geertje Vangenechten ziet hoe we proberen het leven onder controle te houden, onder controle te krijgen. Terwijl er eigenlijk ook een natuurlijke orde is. Ze maakt haar eigen rituelen en ze merkte dat die minder waanzinnig zijn dan hetgeen waar wij mee denken weg te geraken. In haar “sauvagerie”, haar drang naar zelfbeschikking, haar recht op zelfbeschikking, haar afkeer voor autoriteit, schept ze een eigen wereld. Op de grens van boven en onder, van mens en dier, van schoonheid en zelfkant, van angst en veiligheid, verzamelt ze de verhalen van haar leven en die van vele levens onder één grote koepel waaronder ze kan spelen en vertellen. Haar schepping is er niet om te verheerlijken of verheerlijkt te worden maar relativeert zichzelf door wat ze is. Het is tenslotte ook maar wat het is,… en dat is heel wat.




De tekeningen van Geertje Vangenechten worden gedragen door gerecupereerd papier. Vaak zijn het vellen grijs karton of geruite blaadjes, losgescheurd uit een boekje. Maar in het atelier liggen ook afgescheurde repen behangpapier, relieken van een muurschildering. Ze liggen nu op de grond en vormen een nieuw stel met ouder werk en een stoel. Ze liggen op de grond, van de muur afgescheurd.

In een schetsboek vind ik een schilderij van een vrouwenkop. Centraal op het witte vlak met grijze rand is ze in zwarte en blauwe inkt geschilderd op een witte grondlaag op één van die grijze kartonnen velletjes van ongeveer 10 bij 7 cm. De zwarte kop heeft twee wazig verwaterde blauwe ogen. Het haar is droger geschilderd en de mond is een open witte plek waarin “ZIEN WAS” is geschreven. De kop draagt twee grote oorringen en een halsketting met grote bollen waar ze in wit potlood nog eens over ging (net als de witte lijn die de neus aanduidt op het zwarte vlak).

Boven het hoofd, op de witte achtergrond staat in grote fijne blokletters geschreven: “ZE ZAG ALLES WAT ER NIET TE” en dan boven op haar kapsel in verwaterde kleinere letters iets wat niet helemaal duidelijk te lezen is maar wel in flarden. “Ze groef een pot diep in de aarde en kroop er in … ze knaagde aan de … en haar…” de tekst verdwijnt in de zwarte inkt van haar hoofd en de waterige blauwe ogen. “Toen ik bij de zigeuners leefde zag ik hoe ze de motieven uit de toile cirée knipten. Op een tafellaken waren bijvoorbeeld taarten afgebeeld, wel dan knipten ze die taarten uit. Ze kleefden die taarten in toile cirée dan op de felgekleurde muren van het huis.”


Het huis was snel een opslagplaats voor een tsunami aan verhalen en objecten en waardevolle waardeloosheid.

Geertje leefde ooit bij een man met een niet te stillen verzamelwoede. De boeken stapelden zich op nog voor ze de inpakfolie hadden verlaten. Het huis was snel een opslagplaats voor een tsunami aan verhalen en objecten en waardevolle waardeloosheid. Midden in die chaos sleepte hij op een dag een tak binnen. Hij had van iemand een grote tak met jonge bloesems gekregen. In een groot oud conservenblik waarop in felgele en mosterdgroene letters en vormen Frankfurters afgebeeld waren, stond die tak daar weerloos en onschuldig te bloeien, midden tussen de stapels boeken. Wat schiet er over als we die waan niet hadden? Wat een schoonheid, toch?



Pierre Muylle

beelden: © Alex Himburg