online magazine

De kunst van het hinkstapspringen

Over het werk van Christoph Bruneel


Waar zou je Christoph Bruneel (die zijn naam wel eens als Xtof Bruneel spelt) in de huidige kunstwereld situeren? Een weinig opportune vraag. Als ik die aan Christoph zou stellen dan zou hij die met een duivels lachje en wat schouderophalen van zich afschuiven. Kunstenaar, kunstwereld en kunst. Het zijn in onze huidige wereld categorieën geworden, met sociologische, economische en pecuniaire slagkracht. Kunst is kunstmarkt geworden: een financiële belegging, een goede investering, een neoliberaal pretpark. Dit ontkracht uiteraard kunst in zijn diepere betekenis. Het reduceert kunst tot platitudes: elke vorm van subversie, van kritisch denken en vooral van anders-zijn worden eruit geweerd – alsof het maar details waren. Kunst is geen luxe: het moet veeleer een ongemak zijn.


Wat zou kunst dan in essentie zijn? Een complexe vraag natuurlijk en complexiteit is nu net een kenmerk van welke kunstvorm dan ook. Een complexiteit die ook het menselijke kenmerkt. Er is geen sluitend antwoord op. Voor mij houdt kunst een confronterende vraagstelling in en in geen geval een geruststellende categorie. Die vraagstelling is zowel van existentiële als van metafysische aard en wordt vanuit een fysieke nood ‘uitgesproken’ en/of ‘verbeeld’.


Wat zijn die vragen? Paul Gauguin kende ze al: ‘D’où venons-nous? Que sommes-nous? Où allons-nous?’, ‘Van waar komen we? Wie zijn we? Naar waar begeven we ons?’ Voor deze vragen zoekt ‘een kunstenaar’ naar het nooit eerder geformuleerde (verbaal of non-verbaal): dat impliceert een queeste naar het utopische, het onmogelijke. Hij zwoegt, hij betracht, hij benadert: de top bereikt hij nooit. Hij probeert vorm te geven in het besef dat die vormgeving nooit zal volstaan – het is er waarschijnlijk niet eens het begin van.


Hoe dan ook altijd is de kunstenaar op zoek naar ‘ideosyncrasie’, een eigen vormtaal die zo dicht mogelijk bij zijn psyche (individueel en collectief) aanleunt.

Die poging tot vormgeving kan in de lijn van een traditie liggen, of in de lijn van wat buiten de klassieke traditie valt (wat de traditie van de breuk wordt genoemd en die heeft zich de voorbije 150 jaar enorm verrijkt). Hoe dan ook altijd is de kunstenaar op zoek naar ‘ideosyncrasie’, een eigen vormtaal die zo dicht mogelijk bij zijn psyche (individueel en collectief) aanleunt. Bij zijn chimères, zijn demonen. Bij zijn zingtuigelijkheid, zijn ‘mal de vivre’. Kortom: bij zijn onberekenbaarheid. Met andere woorden – en dat geldt zeker voor iemand als Christoph – kunst valt zoekend uit: het is zowel een levensvorm als een levenswijze. Wat, au fond, ieder mens in potentie tot een kunstenaar maakt.


Christoph Bruneel (1964) is op allerlei fronten en domeinen actief en creatief. Hij schrijft, hij tekent, hij vertaalt, hij maakt boekvormige objecten (livres d’artiste), hij is muzikaal bezig, hij heeft performance-kwaliteiten. Beroemd is hij er ten lande vooralsnog niet mee geworden. Hij stelt trouwens anonimiteit op prijs en is daarom in zijn geboortestad Kortrijk blijven wonen waar hij zo goed als perfect genegeerd wordt - op een handvol medestanders en getrouwen na, al dan niet uit sociaal-artistieke hoek. Meer heeft hij niet nodig om aan het werk te blijven. Ik stel evenwel vast dat hij meer op erkenning buiten de grenzen kan rekenen.


Christoph is tweetalig opgevoed. In het Nederlands en het in Frans. Iets wat in het Kortrijkse tot laat in de twintigste eeuw het geval kon zijn. Christoph beweert dat die tweetaligheid in zijn innerlijkheid als een soort schizofrenie heeft ingewerkt.


Schizofrenie, het is misschien wel een wat te beladen woord. Laten we zeggen dat met die tweetaligheid Christoph tussen twee verschillende cultuur-temperamenten hangt. Een taal impliceert immers een (cultureel) wereldbeeld. Woorden passen zich in een spirituele topografie in. Elke taal heeft een eigen geschiedenis en elke taal heeft zich in een geschiedenis ingewerkt. Tweetaligheid heeft hem geleerd om te hinkstapspringen van de ene naar de andere cultuur. Van elke cultuur neemt hij gretig iets mee.


De legendarische Antwerpse schrijver/schilder Michel Seuphor (1901-1999) – een notoire tweetalige – schreef in het Frans omdat hij vond dat hij niet buiten zijn moedertaal kon en dat was het Frans. Een mens denkt volgens hem in zijn moedertaal. Een psychoanalytische kluif vind ik dat. Er zijn voorbeelden aan te geven van het omgekeerde. Ik heb de indruk dat we dit Seuphor-gegeven niet bij Christoph (een Deleuziaanse ‘anti-oedipe’?) kunnen onderkennen. Alsof hij geen moedertaal zou hebben. Frans en Nederlands: een Siamese tweeling? In ieder geval lijkt hij daar niet problematisch over te doen. Zou hij zich met zijn zogenaamde schizofrenie hebben geconsolideerd?


Christoph schrijft ‘poëtisch aanvoelende teksten’ zowel in het Nederlands als in het Frans. Ik heb de indruk dat het Frans hem beter ligt. Dat de Franse traditie hem meer aanspreekt, heeft wellicht te maken met hoe anders in Frankrijk met het begrip ‘tekst’ wordt omgegaan. In die traditie is het ‘talige’ (het taal-autonome, het taalspel, het stilistische) een belangrijker element dan bij ons. Taal is voor een Franssprekende een soort ‘genotsmiddel’. In onze Vlaamse traditie is voor de dichter die taal meer een last die zwaar op de schouders doorweegt. Taal lijkt een natuurlijke vorm van lijden. ‘De sprakeloze plaag van de taal’- dixit H.C. Pernath.


Ik overdrijf natuurlijk. Ik veralgemeen hier enkel om een verschil te duiden dat Christoph voor zichzelf waarschijnlijk heeft ervaren. Zo ontviel hem zich in een gesprek dat Nederlandstalige poëzie (of literatuur) naar zijn mening te veel vasthangt aan het ‘ik’ en veel minder aan de taal.


Zijn teksten en picturaal werk moeten het hebben van ‘erupties’, minder van virtuoos gebruikte technieken.

Als de zin voor ‘taligheid’ hem door zijn zuiderse helft wordt aangegeven, wat is dan het noordelijke element dat Christoph bezielt? Dat is iets heel concreet: het intuïtieve en het anarchistische (dat zich in een anti-conventionele, wat situationistische houding te kennen geeft). Het zijn zijn mentale leidraden. Hij trekt zich weinig van het theoretische aan (waarmee ik niet gezegd heb dat hij het theoretische ontkent). Je betrapt hem niet op een rigide systeemdenken. Hij gaat op het gevoel af. Hij gaat in zijn werkwijze voortdurend op de tast. Zo los mogelijk van het algemeen geldende. Zijn teksten en picturaal werk moeten het hebben van ‘erupties’, minder van virtuoos gebruikte technieken. Hij volgde een aantal academische opleidingen maar kwam daar van een kale reis terug. Die opleidingen waren hem te institutioneel, te conform of te modieus. Hij werkte liever buiten de lijnen. Buiten het officiële kunstgebeuren om.


Het hinkstapspringen tussen twee talen, verwierf hem een souplesse waarmee hij in staat is om zich uit te drukken, om zijn creativiteit de vrije, eruptieve loop te geven via diverse ‘kunstdisciplines’ – laten we dit nu toch zomaar noemen.


Christoph denkt dissident over de boekenwereld. Belangrijk element dat ik meen te ontwaren: als ambachtsman heeft hij een voorkeur voor organische, tastbare materialen.

Vooreerst is Christoph een gerenommeerd boekbinder en restaurateur van boeken. Een ambachtsman dus. Met die ambacht gaat hij bijwijlen ingenieus om. Hij gaf boeken uit die je meer als een kunstzinnig artefact moet benaderen. Hij werkt hiervoor vaak samen met de kleine Noord-Franse uitgeverij ‘L’âne qui butine’ die onder de redactie valt van zijn partner Anne Letoré. Die publicaties zijn onder meer statements ten aanzien van meer commercieel gedreven, zogenaamde reguliere uitgeverijen. Christoph denkt dissident over de boekenwereld. Belangrijk element dat ik meen te ontwaren: als ambachtsman heeft hij een voorkeur voor organische, tastbare materialen. (Ik vermoed daarom een terughoudendheid ten aanzien van het digitale.) Hij is niet bang om zijn handen vuil te maken. Hij had ooit een eigen groententuin waarop hij samen met drie anderen biogroenten avant-la-lettre kweekte.


Ik had het nog niet over de thematiek die Christoph kenmerkt. Die is heel ruim. Maar het is vooral in zijn plastisch werk dat we kunnen merken in welke mate het intuïtieve hem stimuleert, het hoge woord voert binnen zijn werk. In een recente bibliofiele publicatie ‘et pendant ce temps le linge sèche’- ‘en ondertussen hangt de was te drogen’ vinden we het expliciet terug.


Een gulle, totale vrijmoedigheid geeft zich hier prijs. Hij houdt geen blad voor de mond en trekt geen rookgordijnen op. Hij laat ons zien wat we volgens hem zouden moeten zien. Het is hem daarbij niet om verfijningen te doen maar om ongeremde expressie. In een esthetiek zonder de minste camouflage, zonder de minste fioriture. Net als de surrealisten duwt hij het deksel van de libidineuze put en daalt onverschrokken in het Freudiaanse Es af. Wat opwelt is een amalgaam van al dan niet herkenbare tekens die vaak antropomorfe vormen aannemen en die de ruimte van het blad omwingeren. Hij stelt ons een eigen, zeer seksueel, dantesk en mythisch universum aan vol verhaspelingen, vertekeningen, monsterlijke metamorfoses, fantasma, priapisme. Beelden die nog steeds niet meteen samenvallen met de doordeweekse, correct maatschappelijk aanvaarde esthetische en ethische normen. Er gaat een ongegeneerde en provocerende kracht van uit. Ik merkte het daarnet al op: een zekere sardonische spot is Bruneel duidelijk niet vreemd. Hij is een duveltje uit een doosje. Een gemene maar sympathieke spelbreker. Omdat hij nergens is op vast te pinnen.


Het woord ‘surrealistisch’ viel. Daar hoort een nuance bij. Bruneel voelt meer voor de Brusselse dan voor de Parijse surrealisten. De laatsten vindt hij te dogmatisch. De Brusselaars hadden in zijn ogen meer affiniteit met dada behouden. Overigens is Brussel zijn tweede geboortestad. Graag situeert hij zichzelf in het voetspoor van de Brusselse gebroeders Piqueray die op ludieke wijze experimenteerden met taal en muziek.


Hiermee maken we een volgende hinkstapsprong richting muziek (die dus niet zonder link is naar zijn zin voor taligheid). Ook hier weer neemt het ‘intuïtieve’ het heft in de handen. Ik geef een paar linken aan waar die muziek te beluisteren is. (link1 & link2) Het muzikale domein is me eerder vreemd. Maar toch – intuïtief, op mijn beurt – meen ik alweer controverse op te merken: Bruneels muzikale ideeën wijken van het genormeerde en het academische af.


Ze organiseerden allerlei activiteiten: literaire salons, salonrevoluties, nachtelijke lezingen in een groententuin e.d.

Eén aspect van Christoph hield ik met opzet even achterwege. Een aspect dat hem goed laat inpassen binnen het sociaal-artistieke: de voortdurende samenwerking met anderen. Het lijkt wel aan een behoefte te beantwoorden.

Het is iets waar hij zelf op aandringt. Reeds vroeg gaf hij daar blijk van toen hij samen met zijn kompanen Peter Vandewiele en Peter Arthur Caesens onder de groepsnaam ‘Driewerf’ naar buiten kwam. Ze organiseerden allerlei activiteiten: literaire salons, salonrevoluties, nachtelijke lezingen in een groententuin e.d. Zelf herinner ik me een diner waarbij gerechten werden opgediend die werden beschreven in de cultroman van Joris-Karl Huysmans ‘A rebours’. Als digestief werd eigen gebrouwde absint geserveerd.


Wat betekenen die ‘samenwerkingen’? Is het nood aan ‘samenhorigheid’? Al heeft hij bij een eerste kennismaking de valse indruk een koele kikker te zijn: het is een man met een warm hart. Hij steekt zijn hand uit naar de ander. Wie die ander ook moge zijn. Zijn inherent individualisme is nergens egocentrisme of solipsisme. Hij sluit zich niet in een ivoren toren op. Zijn activiteiten binnen Wit.h lijken me daar het beste bewijs van. Hiermee, en in zijn creatief werk, geeft Christoph aan dat hij in zijn kunstenaarschap ontmoeting en dialoog op prijs stelt.



Alain Delmotte